37 bedrijven van de ‘Fortune 500’ worden op dit moment geleid door een vrouw. En dat is een nieuw record. Hoewel ik begrijp dat verandering niet van de een op andere dag kan plaatsvinden, is dit natuurlijk een belachelijk laag getal. En ik mag hopen dat iedereen dat met mij eens is. Maar ik hoor uit de mannelijke hoek ook vaak de twijfel óf er een glazen plafond bestaat en wie daarvoor verantwoordelijk zou zijn. Laatst zei een man tegen mij: “Het is misschien een impopulaire mening, maar ik vraag mij soms oprecht af wie nou precies wat in stand houdt.”

En dat begrijp ik ergens ook wel. Ik geloof wel degelijk dat er een glazen plafond is, maar dat vrouwen zelf ook een grote verantwoordelijkheid hebben in het doorbreken daarvan. Door bijvoorbeeld gelijk na het afstuderen fulltime te gaan werken. En in de column Kleine belofte, grote impact beschreef ik dat het de taak van ouders is om hun dochters serieus te nemen. Omdat vrouwen die weten wat ze waard zijn, wat mij betreft het krachtigste wapen in handen hebben om de status quo uit te dagen.

Het ‘mannelijke’ perspectief op het glazen plafond, slaat wat mij betreft de discussie niet dood, maar brengt het debat hierover alleen maar verder. Aangezien het haarfijn blootlegt wat het probleem is: het is vechten tegen een onzichtbare bierkaai als er geen systematische verandering plaatsvindt van structuren die we ‘normaal’ vinden. En daar hebben we iedereen voor nodig.

Feminisme draait voor mij om gelijke kansen. Krijgen wat je nodig hebt om evenveel kans te maken om iets te bereiken. En zonder te willen generaliseren, is dat ‘krijgen wat je nodig hebt’ voor mannen en vrouwen soms verschillend. Treffend vind ik het voorbeeld dat presentator Jeroen Pauw noemt in dit filmpje van LINDA: vrouwen zouden volgens hem sneller geneigd zijn om een andere man voor te dragen wanneer ze gevraagd wordt voor een plekje aan een talkshowtafel. Om vrouwen in dit geval toch aan tafel te krijgen, moeten we ons meer verdiepen in wat vrouwen drijft én nodig hebben om zo’n stoel aan een talkshowtafel te bemachtigen. Hetzelfde geldt voor het werving- en selectieproces op de werkvloer. Volgens onderzoek schrikt veel jargon-gebruik in vacature-teksten vrouwen af waardoor ze minder snel solliciteren. En dat is niet zielig. Of zwak. Of minder. Maar anders. En iets wat volgens mij gemakkelijk aan te passen is.

Het actief aannemen van genoeg vrouwen, gebeurt tegenwoordig op heel wat plekken middels quotums. En hoewel ik daar groot voorstander van ben, is het niet de oplossing van het glazen plafond-probleem. Niet als vrouwen vervolgens op de werkvloer of aan talkshowtafels – door mannen en vrouwen – beoordeeld blijven worden vanuit heteroseksuele, masculiene denkkaders die we met elkaar hebben opgesteld en iedere dag uitleven. Waarin een mondige vrouw al snel als ‘brutaal en bijdehand’ wordt bestempeld en mondige mannen als ‘lekker assertief’. Waarin ongepaste grappen door een vrouw aan de lunchtafel als ‘niet vrouwelijk’ worden gezien, terwijl mannen daar wel mee weg komen. Hoe goed bedoeld quotums ook zijn: deze dragen zonder verandering van denkkaders op lange termijn niet bij aan het gewenste resultaat in de strijd om gelijkheid tussen man en vrouw.

Ik geloof dus dat bewustwording en het doorbreken van (onzichtbare) rolpatronen superbelangrijk is en iets waar we naar moeten streven. Anders blijven we voorbijgaan aan de kracht die uitgaat van een gezamenlijke, kritische blik – van mannen én vrouwen – op het stelsel van ideeën dat maakt dat  aangepaste vacatureteksten en opgelegde quotums nodig zijn. Of zoals dichter Yahia Lababidi treffend stelt: “Take two opposites, connect the dots, and you have a straight line.”

En dan samen in een rechte lijn vooruit. Dwars door het glazen plafond heen.