Vandaag, 4 september. Het begin van september blijf ik iets raars en magisch tegelijkertijd vinden. Het maakt denk ik niet uit hoe oud je bent, of wat voor werk je doet: het blijft voelen alsof het ‘allemaal weer gaat gebeuren’. Alsof de kaarten opnieuw geschud zijn. Ik denk dat dat nooit meer overgaat.

Wanneer ik nu door mijn Homepage op LinkedIn scroll, zie ik meer dan normaal updates over jubileums en nieuwe banen. Net als de meeste millennials kan ik daar regelmatig onrustig van worden. Jeetje, gaat Saar een semester in New York studeren? Wat was ik het aan het doen, terwijl ze dat aan het regelen was? denk ik dan. Of: huh, hoe is Tim in godsnaam bij dat toffe bedrijf terechtgekomen? De rede (“Je moet jezelf nooit vergelijken met anderen.”) verliest het vaker dan ik zou willen van de twijfel over alles wat ik zelf doe, gedaan heb of misschien (ook) moet doen.

Met lichte tegenzin open ik vervolgens het digitale foto-album ‘Dublin 2017 (81)’ op mijn mobiel. Niet dat iemand mij dwingt om die 81 foto’s te kijken, maar het is een kwelling die een ongelooflijke aantrekkingskracht heeft. Het valt te vergelijken met de fascinatie vroeger voor prikkeldraad op de camping. Je wilt eigenlijk niet, want je weet dat het verrot zeer kan doen, maar toch is er een stemmetje in je hoofd dat zegt: “Toe dan; raak dan aan. Met één vinger. Dat durf je wel.” En elke keer als ik er nu voor kies om ‘het prikkeldraad aan te raken’, zie ik de meest recente foto’s die ik van mijn ‘niet-zieke’ moeder heb. Hoewel ze daar met de kennis van nu al doodziek was, zag ze er niet-ziek uit. Maar juist dat idee kan ik niet aan.

Vandaag, 3 jaar geleden op 4 september kwam ik terug van een stedentrip naar Dublin met mijn moeder. Eerder dat jaar wisten we dat ze nog maar heel kleine uitzaaiingen had, maar daar uiteindelijk nooit meer beter van zou worden. Die zomer wilde ze graag een keer met mij en mijn broer los van elkaar een stad bezoeken. Altijd iets waarvan je denkt: dat komt nog wel een keer.

Bovenop de ‘Kliffen van Moher’ beloofden we elkaar om snel nog eens samen weg te gaan. Uitkijkend over zee. Geen land in de verste verte te bekennen. Aan het eind van de wereld met degene die de wereld voor mij betekent. De wereld aan onze voeten. Letterlijk. Ik zou na onze trip in ‘het nieuwe jaar’ mijn scriptie afmaken en daarna afstuderen. Daar zou ze bij zijn. Beloofd. Op heel veel foto’s spreken de blikken in onze ogen boekdelen. Duidelijk genietend van het moment, maar onbevangen en onbezorgd waren ze al lang niet meer. Dat mijn moeder vanaf dat moment nog tweeënhalve maand zou leven, hielden we ons op dat moment zeker niet voor mogelijk.

4 september, vandaag. Ik kijk terug op drie onstuimige jaren, op werkgebied en persoonlijk vlak, waarvan ik had gehoopt ze nooit mee te hoeven maken. Ik heb moeten leren wat nooit meer betekent en geworsteld heb met verdriet dat mij regelmatig naar de strot greep, verstikte, optilde en tegen de grond smeet. Maar ook iets wat ik ondanks alles niet wilde en daardoor kon loslaten. En dus noodgedwongen moest aankijken, aanraken, beetpakken en zelfs omarmen. Het waren jaren waarin ik mijn eerste baan vond, daar ook weer weggegaan ben en rust en ruimte heb genomen om erachter te komen waar ik warm van word in het leven. En hoewel september altijd twijfels met zich mee zal brengen, heb ik voor die twijfels steeds minder tijd. En vandaag al helemaal niet. Voor het eerst sinds lange tijd voel ik aan het begin van dit ‘nieuwe’ jaar héél voorzichtig dat de wereld (weer) aan mijn voeten ligt. Figuurlijk dan.